Het Schrijflokaal

Orrefors 100 jaar

Schitterende glascreaties uit Småland

Op 3 november 1898 werden voor het eerst de ovens van een kleine glaswerkplaats in de wouden van het Zweedse Småland aangestoken. De naam van het bedrijfje was Orrefors Glasbruk. Het legde zich toe op huishoud- en keukenglas. Orrefors groeide uit tot een grote onderneming, die uit verschillende ‘glasfabrieken’ bestaat. Zweden’s toonaangevendste glasproducent en inspiratiebron voor glaskunstenaars overal ter wereld viert dit jaar zijn honderdste verjaardag.

(Foto's: Orrefors en Kosta)

(Foto’s: Orrefors en Kosta)

Orrefors Glasbruk ontstond in 1898 op een plek waar al sinds 1726 ijzersmelterijen waren gevestigd. Eind vorige eeuw ging het slecht met de ijzersmelterijen van Orrefors. De houtvesterij vervulde steeds meer de rol van de motor van de lokale economie. Maar lang niet iedereen kon daarin zijn brood verdienen. Een aantal ondernemers waren bijzonder creatief.  De arbeiders die door de sluiting van de ijzersmelterijen zonder werk waren komen te zitten, werden ingezet bij de ovens van de glaswerkplaatsen. Het  overtollige hout diende als goedkope brandstof voor de ovens. Al snel werd de glasindustrie de nieuwe broodheer. Orrefors komt hoogstwaarschijnlijk van Orrafors, een combinatie van ‘orra’ en ‘fors’. Het eerste deel van het woord komt van het nabij gelegen Orranäs -meer, het tweede deel van de stroomversnelling waaraan de ijzerfabrieken aanvankelijk stonden. Tegenwoordig is de naam synoniem voor het schitterende glas met wereldfaam uit de glaswerkplaatsen van de eindeloze wouden in Zwedens zuidoostelijke provincie Småland.

Modernisme

(Foto's: Orrefors en Kosta)

(Foto’s: Orrefors en Kosta)

Orrefors werd geopend in een tijd waarin zich langzaam maar zeker een nieuwe manier van denken over glasdesign aftekende. Het vaalbruine, soms saai gekleurde glas van rond de eeuwwisseling werd steeds meer gedateerd gevonden. Een lichtere en eerlijker benadering vond opgang. Als kunstenaars meer betrokken zouden worden bij de industriële produktie zouden prachtige alledaagse dingen ook voor een groter publiek bereikbaar worden. Onder deze groep kunstenaars bevonden zich onder meer Ellen Key, Carl en Karin Larsson en de Svenska Slöjdföreningen (Zweedse Vereniging voor Industrieel Design). Een document van Ellen Key, ‘Skönhet för Alla’ (Schoonheid voor iedereen), vormde een belangrijke basis voor deze beweging. Daarmee deed ook in Zweden het modernisme rond 1910 zijn entree. Het modernisme vond zijn wortels in de Deutsche Werkbund. Deze groep van architecten, ontwerpers, theoretici en zakenlieden wilde de bedrijfstak van de toegepaste kunst stroomlijnen en de produkten bereikbaarder maken voor een groot publiek.

Gate en Hald
Aanvankelijk beperkte Orrefors zich tot de produktie van huishoud- en medisch glas. Maar in 1913 werd de inmiddels volwassen glaswerkplaats en de omliggende wouden overgenomen door Johan Ekman, een industrieel uit Gotenburg. Met zijn komst werd een nieuwe tijd ingeluid. Ekman beschikte over een visionair leiderschap. Naast gebruiksgoederen van glas moesten er ook kunstvoorwerpen in produktie worden genomen. Het jaar daarop werd gestart met de produktie van kristalglas. Tezamen met kundige handwerkslieden, meesterglasblazers en kunstenaars met een grenzenloze creativiteit, was Orrefors in staat om een brede reeks aan produkten van goede kwaliteit te leveren. Door zijn aanpak werden al snel nieuwe glastechnieken ontwikkeld en geïntroduceerd. Ekman haalde twee kunstenaars binnen die een belangrijke rol zouden spelen bij de ontwikkeling van Orrefors:  Simon Gate, een figuratieve kunstenaar, in 1916; en Edward Hald, een krachtige modernist, een jaar later. Gate begon met de verfijning van de overlay-techniek (laagjestechniek). Onbewerkt glas werd versierd met snijwerk, geëtste of gegraveerde motieven. Dat glas werd vervolgens opnieuw verhit, voorzien van een deklaag van transparant glas en uiteindelijk in zijn definitieve vorm geblazen. Soms werd zelfs een tweede deklaag toegevoegd, al dan niet met weer nieuwe bewerkingen van het glas bedekkend.  Deze techniek kreeg de naam Graal. Een van Orrefors’ specialiteiten. Een jaar later deden Gate en Hald hun eerste pogingen om figuren te graveren. Deze resulteerden in een serie naakten, sommige bescheiden voorzien van draperieën. Dit experiment betekende een radicaal afscheid van de traditioneel gegraveerde motieven.Verdere experimenten en een ontwakende interesse leidden tot krachtige ontwikkelingen in de glasgraveerkunst. Midden jaren twintig van deze eeuw introduceerde Orrefors een glassoort waar zij zich tot dan toe niet mee bezig had gehouden. Verlichtingsglas. Dat zou later een aanzienlijk beslag leggen op de produktiemiddelen. De eerste stukken waren hoofdzakelijk voor openbare gebouwen bestemd. Maar al snel volgden ontwerpen voor het huishouden.

“Inmiddels bestaat de prestigieuze glasproducenten
groep Orrefors Kosta Boda AB uit zes glashuizen.”

Internationale doorbraak
Orrefors schreef in op verschillende tentoonstelingen. Ook dat droeg bij aan het succes. Een internationale doorbraak volgde op de tentoonstelling van Parijs in 1925. Twee jaar later werd het werk van Zweedse glaskunstenaars getoond in het Metropolitan Museum of Art in New York. Dit en verscheidene andere musea in de Verenigde Staten besloten tot de aankoop voor hun collecties. In allerlei werelddelen werd een verkooporganisatie opgezet; waaronder de Verenigde Staten en Australië. Deze voor die tijd zeer commerciële aanpak hielp de glasfabriek in een zich steeds sneller ontwikkelende geïndustrialiseerde samenleving  te overleven; ook tijdens de depressie en de twee wereldoorlogen. Inmiddels bestaat de prestigieuze glasproducentengroep Orrefors Kosta Boda AB uit zes glashuizen, waarvan de oudste – Kosta – uit 1742 stamt. De Stockholm-tentoonstelling van 1930 liet ook Orrefors niet onberoerd. Het functionalisme stal de show. De glazen ontwerpen waren opvallend dik, het  ontwerp stond vaak op een zwarte voet, en de gravering werd bewust heel ingetogen gehouden om de schoonheid van het glas te benadrukken. Glas werd niet langer ontworpen aan de tekentafel.  De kunstenaars begonnen direct in het atelier. Het ontwerpen van glas werd meer en meer een samenwerking tussen de kunstenaar en de glasblazer. Twee jaar daarvoor had een nieuwe ontwerper zijn entree gemaakt: Vicke Lindstrand. Hij had zijn debuut gemaakt op de tentoonstelling van Stockholm met een reeks van geenamelleerde vazen, schalen en andere objekten.

Verfijnde Graal-techniek
Later volgen verfijnde Graal-technieken zoals de Vis Graal en Gesneden Graal. Vis Graal, met vis- en zeewiermotieven,  was een commercieel succes. Deze techniek bleef tot 1987 in produktie. In de jaren dertig kregen Nils Landberg en Sven Palmqvist, die eerst op de tekenkamer hadden gewerkt, kans zich als kunstenaar met een eigen reputatie te ontwikkelen. Beeldhouwer Edvin Ohrström die samen met Lindstrand werkte, ontwikkelde de Ariel-techniek. De naam is afkomstig van de onsterfelijke ziel in Shakespeare’s toneelstuk ‘The Tempest’. De techniek is afgeleid van de Graal-techniek. Basis is verschillende lagen glas.  Lucht wordt gevangen in de gezandstraalde buitenkant dat vervolgens wordt voorzien van buitenlaag.  Zo’n tien jaar later ontwikkelde Sven Palmqvist met een nieuwe methode van gecentrifugeerd glas. Het resultaat kreeg de naam Fuga. Deze werd veel later – in 1955 – getoond op de H55 tentoonstelling in Helsingborg. Na de Tweede Wereldoorlog worden verschillende andere technieken ontwikkeld. Palmqvist introduceert technieken als ‘Kraka’ en ‘Ravenna’.  Kraka is een techniek waarbij tijdens het zandstralen een patroon van kleine luchtbelletjes een soort net vormen op het onbewerkte materiaal. De naam komt van de Viking sage waarin Ragnar Lodbrok de blonde schone Kraka vraagt  bij hem langs te komen; echter ‘noch gekleed , noch ongekleed’.  Kraka komt gehuld in een ragfijn visnet. De jaren vijftig is de periode van het object, van markante op zich staande vormen. In die periode zag Nils Landberg’s elegante ‘Tulipa’ en de schitterende ‘Applet’ (appel) vaas van Ingeborg Lundin het licht.

Epitoom
Toen Gunnar Cyrén in 1959, een zilversmid van huisuit, bij Orrefors arriveerde, deed ‘de pop art’ zijn intrede. Hij maakte naam met zijn vrolijke ‘Pop Glasses’, die paste bij de ‘swinging sixties’.  Deze ontwerpen zijn het epitoom van de jaren zestig. Tegen het einde van de jaren zeventig kwamen de handwerksprodukten in het gedrang.  Er wordt meer nadruk gelegd op de ontwikkeling van geavanceerde glastechnieken. Zo kwam de Graal-techniek weer in de gratie, mede dankzij Eva Englund, die in 1974 naar Orrefors was gekomen. Zij had de techniek nog geleerd van de meester – Edward Hald – zelf.  Gedurende de jaren tachtig bepaalde een hele generatie van jonge, dynamische ontwerpers de stijl van Orrefors, zoals Anne Nilsson, Erika Lagerbielke en Helén Krantz. Zij mengen sterke kleuren met moderne vormen. Aan het einde van datzelfde decennium besluit Orrefors de produktie en verkoop van kunstglas ontworpen door eerder aan de glaswerkplaatsen verbonden kunstenaars stop te zetten. Even leek het erop dat Orrefors de produktie van kunstglas stop zou zetten. Integendeel. Het was slechts een koerswijziging. De tastbare resultaten waren zichtbaar in een nieuwe serie die werd gelanceerd: de Orrefors Gallery Collections. De eerste zag in 1988 het licht. In 1990 en 1992 volgden de tweede en derde serie. Na enkele moeilijke jaren – Zweden werd getroffen door een recessie – gingen de zaken weer goed en kunnen de jaren negentig gekenschetst worden als de periode van de terugkeer van elegante serviezen en glaswerk. Gunnar Cyrén, behorend tot de oude garde,  maakte het ontwerp voor het glasservies (1992) bij de Nobelprijsdiners in Stockholm. Anne Nilsson gaf sfeer met haar fraaie kandelaars Celeste gemaakt van gekleurd glas met gouden en zilverversieringen en Jan Johansson gaf vorm aan zijn simpele en elegante Marin lijn.

Innoverende opstelling
Hoe de toekomst van Orrefors er zo aan de vooravond van de milleniumwende uit zal zien is onduidelijk. Orrefors heeft tal van diepe dalen in haar bestaan door haar innoverende opstelling weten te overleven. Met de komst van jonge en veelbelovende ontwerpers als Lena Bergström, Martti Rytkönen en Per B. Sundberg heeft Orrefors een aantal kunstenaars in huis gehaald die de traditie van vernieuwing voort zullen zetten.

J u b i l e u m s t u k k e n

Ter gelegenheid van het jubileum zijn verschillende speciale series uitgebracht. Voor één van de series zijn acht kunstenaars gevraagd om elk één jubileumglas te ontwerpen;  elk anders van vorm en karakter. Deze glazen zullen alleen in het jubileumjaar worden gemaakt.  Martti Rytkönen ontwierp een glas met de titel ‘Jag är wild’ (Ik ben wild), Lena Bergström tekende voor ‘Jag är luftig’ (Ik ben luchtig)  en Anne Nilsson creëerdeeen heel klassiek en statig glas. Dat heet dan ook: ‘Jag är ståtlig’ (Ik ben statig).  Stuk voor stuk ontwerpen gemaakt van helder glas, waarbij de poot en/of kelk zijn bewerkt met verschillende technieken zoals opgelegde glasdraden of gezandstraalde motieven.  Ook de Orrefors Gallery Collections kwam met een nieuwe serie;  inmiddels de vierde sinds de lancering in 1988. Elk van de acht kunstenaars ontwierp een aantal stukken die in een gelimiteerde oplage van 25 stuks zijn gemaakt. Onder hen bevinden zich Helén Krantz (een van Zwedens’ toonaangevende glaskunstenaars van dit moment) met onder meer Labyrinth-Blue, Jan Johansson met Ira, Martti Rytkönen met Lunch of the Kings en Sea Views en Lena Bergström met The Big Vase.

(Nordic 3/1998 door Leslie Leijenhorst)